Projecten binnen de industrie: ′standaard anders?′

Projecten binnen de industrie: ′standaard anders?′

19 oktober 2018

Als het gaat om standaardiseren of het vastleggen van configuraties, komt al snel de vraag ‘Kan dit bij ons wel?’ naar boven. Veel organisaties vragen zich af of standaardiseren loont en of configureren mogelijk is. Elk project is tenslotte uniek. Veelgehoorde argumenten zijn dan ook dat elk project anders of uniek is. Dat klopt in de basis ook. Toch is er een grote gemeenschappelijke deler. Als we klanten vragen hoe ze nieuw project starten, is het antwoord vaak dat een kopie of gedeeltes van een oud project worden gebruikt. Schijnbaar zit er een grote repeterende factor in projecten en installaties. Als we vanuit het Google Earth-principe naar een installatie kijken en steeds een stukje inzoomen, komen we op producten (in de volksmond ook wel objecten of modules genoemd) die we overal terugzien. We denken dan aan bijvoorbeeld motoren, sensoren, actuoren en andere producten, ieder met een eigen configuratie. Het belang van goede productdefinitie Bij aanvang van een standaardisatietraject starten we daarom vaak met de productdefinitiefase. In deze fase wordt een inventarisatie gemaakt van de producten en wordt gekeken welke configuratiemogelijkheden (varianten en opties) elk product heeft. We hanteren hierbij het ezelsbruggetje dat varianten vaak ‘of-vragen’ zijn en opties ‘en-vragen’. Een voorbeeld: een product kan een afsluiter zijn, met de varianten bi-stabiel óf mono-stabiel. Een terugmelding van de klepstand kan een optie zijn. De productdefinitiefase is een belangrijke fase in het standaardisatieproces. Welke producten hebben we? Welke varianten- en opties? Wat behoort wel tot de standaard en wat houden we erbuiten? Het is belangrijk om de productdefinitiefase multidisciplinair op te pakken. Een product of functie kan tenslotte per discipline anders geïnterpreteerd worden. Geneste producten, ook wel functievervullers genoemd Elk project is dus een samenraapsel van kleine producten. Binnen de proceswereld worden deze kleinste producten ook wel control-modules (ISA88) genoemd. Deze kleine producten kunnen we nesten tot een groter, samengesteld (vaak multidisciplinair) product. Producten die later in een project een functie zullen vervullen. Multidisciplinair wordt er op deze manier met elkaar gewerkt aan een productstructuur, die het mogelijk maakt om in een latere fase op een eenvoudige manier te configureren. Tot slot Het standaardiseren van repeterende producten levert verreweg de meeste tijdwinst en kwaliteitswinst op. Dit zorgt er ook voor dat het meest repeterende werk, voor de engineer vaak saai en foutgevoelig, geautomatiseerd kan worden. De engineer kan zich dan richten op projectspecifieke functies. Met het slim hergebruiken van producten of modules (in plaats van de copy-paste methode) kan al een grote stap gezet worden in efficiency.

Als het gaat om standaardiseren of het vastleggen van configuraties, komt al snel de vraag ‘Kan dit bij ons wel?’ naar boven. Veel organisaties vragen zich af of standaardiseren loont en of configureren mogelijk is. Elk project is tenslotte uniek. Veelgehoorde argumenten zijn dan ook dat elk project anders of uniek is. Dat klopt in de basis ook. Toch is er een grote gemeenschappelijke deler. Als we klanten vragen hoe ze nieuw project starten, is het antwoord vaak dat een kopie of gedeeltes van een oud project worden gebruikt. Schijnbaar zit er een grote repeterende factor in projecten en installaties. Als we vanuit het Google Earth-principe naar een installatie kijken en steeds een stukje inzoomen, komen we op producten (in de volksmond ook wel objecten of modules genoemd) die we overal terugzien. We denken dan aan bijvoorbeeld motoren, sensoren, actuoren en andere producten, ieder met een eigen configuratie. Het belang van goede productdefinitie Bij aanvang van een standaardisatietraject starten we daarom vaak met de productdefinitiefase. In deze fase wordt een inventarisatie gemaakt van de producten en wordt gekeken welke configuratiemogelijkheden (varianten en opties) elk product heeft. We hanteren hierbij het ezelsbruggetje dat varianten vaak ‘of-vragen’ zijn en opties ‘en-vragen’. Een voorbeeld: een product kan een afsluiter zijn, met de varianten bi-stabiel óf mono-stabiel. Een terugmelding van de klepstand kan een optie zijn. De productdefinitiefase is een belangrijke fase in het standaardisatieproces. Welke producten hebben we? Welke varianten- en opties? Wat behoort wel tot de standaard en wat houden we erbuiten? Het is belangrijk om de productdefinitiefase multidisciplinair op te pakken. Een product of functie kan tenslotte per discipline anders geïnterpreteerd worden. Geneste producten, ook wel functievervullers genoemd Elk project is dus een samenraapsel van kleine producten. Binnen de proceswereld worden deze kleinste producten ook wel control-modules (ISA88) genoemd. Deze kleine producten kunnen we nesten tot een groter, samengesteld (vaak multidisciplinair) product. Producten die later in een project een functie zullen vervullen. Multidisciplinair wordt er op deze manier met elkaar gewerkt aan een productstructuur, die het mogelijk maakt om in een latere fase op een eenvoudige manier te configureren. Tot slot Het standaardiseren van repeterende producten levert verreweg de meeste tijdwinst en kwaliteitswinst op. Dit zorgt er ook voor dat het meest repeterende werk, voor de engineer vaak saai en foutgevoelig, geautomatiseerd kan worden. De engineer kan zich dan richten op projectspecifieke functies. Met het slim hergebruiken van producten of modules (in plaats van de copy-paste methode) kan al een grote stap gezet worden in efficiency.

Als het gaat om standaardiseren of het vastleggen van configuraties, komt al snel de vraag ‘Kan dit bij ons wel?’ naar boven. Veel organisaties vragen zich af of standaardiseren loont en of configureren mogelijk is. Elk project is tenslotte uniek. Veelgehoorde argumenten zijn dan ook dat elk project anders of uniek is. Dat klopt in de basis ook. Toch is er een grote gemeenschappelijke deler. Als we klanten vragen hoe ze nieuw project starten, is het antwoord vaak dat een kopie of gedeeltes van een oud project worden gebruikt. Schijnbaar zit er een grote repeterende factor in projecten en installaties. Als we vanuit het Google Earth-principe naar een installatie kijken en steeds een stukje inzoomen, komen we op producten (in de volksmond ook wel objecten of modules genoemd) die we overal terugzien. We denken dan aan bijvoorbeeld motoren, sensoren, actuoren en andere producten, ieder met een eigen configuratie. Het belang van goede productdefinitie Bij aanvang van een standaardisatietraject starten we daarom vaak met de productdefinitiefase. In deze fase wordt een inventarisatie gemaakt van de producten en wordt gekeken welke configuratiemogelijkheden (varianten en opties) elk product heeft. We hanteren hierbij het ezelsbruggetje dat varianten vaak ‘of-vragen’ zijn en opties ‘en-vragen’. Een voorbeeld: een product kan een afsluiter zijn, met de varianten bi-stabiel óf mono-stabiel. Een terugmelding van de klepstand kan een optie zijn. De productdefinitiefase is een belangrijke fase in het standaardisatieproces. Welke producten hebben we? Welke varianten- en opties? Wat behoort wel tot de standaard en wat houden we erbuiten? Het is belangrijk om de productdefinitiefase multidisciplinair op te pakken. Een product of functie kan tenslotte per discipline anders geïnterpreteerd worden. Geneste producten, ook wel functievervullers genoemd Elk project is dus een samenraapsel van kleine producten. Binnen de proceswereld worden deze kleinste producten ook wel control-modules (ISA88) genoemd. Deze kleine producten kunnen we nesten tot een groter, samengesteld (vaak multidisciplinair) product. Producten die later in een project een functie zullen vervullen. Multidisciplinair wordt er op deze manier met elkaar gewerkt aan een productstructuur, die het mogelijk maakt om in een latere fase op een eenvoudige manier te configureren. Tot slot Het standaardiseren van repeterende producten levert verreweg de meeste tijdwinst en kwaliteitswinst op. Dit zorgt er ook voor dat het meest repeterende werk, voor de engineer vaak saai en foutgevoelig, geautomatiseerd kan worden. De engineer kan zich dan richten op projectspecifieke functies. Met het slim hergebruiken van producten of modules (in plaats van de copy-paste methode) kan al een grote stap gezet worden in efficiency.

Als het gaat om standaardiseren of het vastleggen van configuraties, komt al snel de vraag ‘Kan dit bij ons wel?’ naar boven. Veel organisaties vragen zich af of standaardiseren loont en of configureren mogelijk is. Elk project is tenslotte uniek. Veelgehoorde argumenten zijn dan ook dat elk project anders of uniek is. Dat klopt in de basis ook. Toch is er een grote gemeenschappelijke deler. Als we klanten vragen hoe ze nieuw project starten, is het antwoord vaak dat een kopie of gedeeltes van een oud project worden gebruikt. Schijnbaar zit er een grote repeterende factor in projecten en installaties. Als we vanuit het Google Earth-principe naar een installatie kijken en steeds een stukje inzoomen, komen we op producten (in de volksmond ook wel objecten of modules genoemd) die we overal terugzien. We denken dan aan bijvoorbeeld motoren, sensoren, actuoren en andere producten, ieder met een eigen configuratie. Het belang van goede productdefinitie Bij aanvang van een standaardisatietraject starten we daarom vaak met de productdefinitiefase. In deze fase wordt een inventarisatie gemaakt van de producten en wordt gekeken welke configuratiemogelijkheden (varianten en opties) elk product heeft. We hanteren hierbij het ezelsbruggetje dat varianten vaak ‘of-vragen’ zijn en opties ‘en-vragen’. Een voorbeeld: een product kan een afsluiter zijn, met de varianten bi-stabiel óf mono-stabiel. Een terugmelding van de klepstand kan een optie zijn. De productdefinitiefase is een belangrijke fase in het standaardisatieproces. Welke producten hebben we? Welke varianten- en opties? Wat behoort wel tot de standaard en wat houden we erbuiten? Het is belangrijk om de productdefinitiefase multidisciplinair op te pakken. Een product of functie kan tenslotte per discipline anders geïnterpreteerd worden. Geneste producten, ook wel functievervullers genoemd Elk project is dus een samenraapsel van kleine producten. Binnen de proceswereld worden deze kleinste producten ook wel control-modules (ISA88) genoemd. Deze kleine producten kunnen we nesten tot een groter, samengesteld (vaak multidisciplinair) product. Producten die later in een project een functie zullen vervullen. Multidisciplinair wordt er op deze manier met elkaar gewerkt aan een productstructuur, die het mogelijk maakt om in een latere fase op een eenvoudige manier te configureren. Tot slot Het standaardiseren van repeterende producten levert verreweg de meeste tijdwinst en kwaliteitswinst op. Dit zorgt er ook voor dat het meest repeterende werk, voor de engineer vaak saai en foutgevoelig, geautomatiseerd kan worden. De engineer kan zich dan richten op projectspecifieke functies. Met het slim hergebruiken van producten of modules (in plaats van de copy-paste methode) kan al een grote stap gezet worden in efficiency.

Als het gaat om standaardiseren of het vastleggen van configuraties, komt al snel de vraag ‘Kan dit bij ons wel?’ naar boven. Veel organisaties vragen zich af of standaardiseren loont en of configureren mogelijk is. Elk project is tenslotte uniek. Veelgehoorde argumenten zijn dan ook dat elk project anders of uniek is. Dat klopt in de basis ook. Toch is er een grote gemeenschappelijke deler. Als we klanten vragen hoe ze nieuw project starten, is het antwoord vaak dat een kopie of gedeeltes van een oud project worden gebruikt. Schijnbaar zit er een grote repeterende factor in projecten en installaties. Als we vanuit het Google Earth-principe naar een installatie kijken en steeds een stukje inzoomen, komen we op producten (in de volksmond ook wel objecten of modules genoemd) die we overal terugzien. We denken dan aan bijvoorbeeld motoren, sensoren, actuoren en andere producten, ieder met een eigen configuratie. Het belang van goede productdefinitie Bij aanvang van een standaardisatietraject starten we daarom vaak met de productdefinitiefase. In deze fase wordt een inventarisatie gemaakt van de producten en wordt gekeken welke configuratiemogelijkheden (varianten en opties) elk product heeft. We hanteren hierbij het ezelsbruggetje dat varianten vaak ‘of-vragen’ zijn en opties ‘en-vragen’. Een voorbeeld: een product kan een afsluiter zijn, met de varianten bi-stabiel óf mono-stabiel. Een terugmelding van de klepstand kan een optie zijn. De productdefinitiefase is een belangrijke fase in het standaardisatieproces. Welke producten hebben we? Welke varianten- en opties? Wat behoort wel tot de standaard en wat houden we erbuiten? Het is belangrijk om de productdefinitiefase multidisciplinair op te pakken. Een product of functie kan tenslotte per discipline anders geïnterpreteerd worden. Geneste producten, ook wel functievervullers genoemd Elk project is dus een samenraapsel van kleine producten. Binnen de proceswereld worden deze kleinste producten ook wel control-modules (ISA88) genoemd. Deze kleine producten kunnen we nesten tot een groter, samengesteld (vaak multidisciplinair) product. Producten die later in een project een functie zullen vervullen. Multidisciplinair wordt er op deze manier met elkaar gewerkt aan een productstructuur, die het mogelijk maakt om in een latere fase op een eenvoudige manier te configureren. Tot slot Het standaardiseren van repeterende producten levert verreweg de meeste tijdwinst en kwaliteitswinst op. Dit zorgt er ook voor dat het meest repeterende werk, voor de engineer vaak saai en foutgevoelig, geautomatiseerd kan worden. De engineer kan zich dan richten op projectspecifieke functies. Met het slim hergebruiken van producten of modules (in plaats van de copy-paste methode) kan al een grote stap gezet worden in efficiency.

Als het gaat om standaardiseren of het vastleggen van configuraties, komt al snel de vraag ‘Kan dit bij ons wel?’ naar boven. Veel organisaties vragen zich af of standaardiseren loont en of configureren mogelijk is. Elk project is tenslotte uniek. Veelgehoorde argumenten zijn dan ook dat elk project anders of uniek is. Dat klopt in de basis ook. Toch is er een grote gemeenschappelijke deler. Als we klanten vragen hoe ze nieuw project starten, is het antwoord vaak dat een kopie of gedeeltes van een oud project worden gebruikt. Schijnbaar zit er een grote repeterende factor in projecten en installaties. Als we vanuit het Google Earth-principe naar een installatie kijken en steeds een stukje inzoomen, komen we op producten (in de volksmond ook wel objecten of modules genoemd) die we overal terugzien. We denken dan aan bijvoorbeeld motoren, sensoren, actuoren en andere producten, ieder met een eigen configuratie. Het belang van goede productdefinitie Bij aanvang van een standaardisatietraject starten we daarom vaak met de productdefinitiefase. In deze fase wordt een inventarisatie gemaakt van de producten en wordt gekeken welke configuratiemogelijkheden (varianten en opties) elk product heeft. We hanteren hierbij het ezelsbruggetje dat varianten vaak ‘of-vragen’ zijn en opties ‘en-vragen’. Een voorbeeld: een product kan een afsluiter zijn, met de varianten bi-stabiel óf mono-stabiel. Een terugmelding van de klepstand kan een optie zijn. De productdefinitiefase is een belangrijke fase in het standaardisatieproces. Welke producten hebben we? Welke varianten- en opties? Wat behoort wel tot de standaard en wat houden we erbuiten? Het is belangrijk om de productdefinitiefase multidisciplinair op te pakken. Een product of functie kan tenslotte per discipline anders geïnterpreteerd worden. Geneste producten, ook wel functievervullers genoemd Elk project is dus een samenraapsel van kleine producten. Binnen de proceswereld worden deze kleinste producten ook wel control-modules (ISA88) genoemd. Deze kleine producten kunnen we nesten tot een groter, samengesteld (vaak multidisciplinair) product. Producten die later in een project een functie zullen vervullen. Multidisciplinair wordt er op deze manier met elkaar gewerkt aan een productstructuur, die het mogelijk maakt om in een latere fase op een eenvoudige manier te configureren. Tot slot Het standaardiseren van repeterende producten levert verreweg de meeste tijdwinst en kwaliteitswinst op. Dit zorgt er ook voor dat het meest repeterende werk, voor de engineer vaak saai en foutgevoelig, geautomatiseerd kan worden. De engineer kan zich dan richten op projectspecifieke functies. Met het slim hergebruiken van producten of modules (in plaats van de copy-paste methode) kan al een grote stap gezet worden in efficiency.

Overige berichten

19 oktober 2018

Standaardiseren binnen de industrie, waarom eigenlijk?

Voor veel bedrijven staat standaardisatie hoog op de agenda. Als je een groep mensen vraagt of ze binnen...

Lees verder

19 oktober 2018

Een intelligente P&ID

Herkent u het? Het opstellen van de P&ID (Piping & Instrumentation Diagram) gebeurt niet altijd...

Lees verder

19 oktober 2018

Met Scrum werk je niet alleen efficiënter, maar ook leuker

Scrum is een term die je steeds vaker hoort. De vraag is of het een hype is of dat de methodiek echt...

Lees verder